Stichting Buitengewoon Onderwijs


De opleidingen speciaal onderwijs hebben als masters opleidingen Special Educational Needs (S.E.N.) een degelijke positie gekregen in de landelijke educatieve infrastructuur. Een positie die de pioniers van het speciaal onderwijs al voor ogen stond. Deze pioniers, lid van de Vereniging voor Onderwijzers en Artsen namen de eerste initiatieven. De aandacht die men noodzakelijk achtte voor deskundigheidsbevordering van de onderwijsgevenden in het buitengewoon onderwijs konden de gewone lerarenopleidingen niet geven. Het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs bleek een doeltreffend instrument om kennis te delen, de leden te informeren over nieuwe inzichten en discussies aan te gaan. Met name speelde dit tijdschrift ook een rol in de opleidingen doordat er steeds meer vakinhoudelijke artikelen gepubliceerd werden. Deze artikelen betekenden een belangrijke inhoudelijke bijdrage aan de eerste cursussen. Zo lezen we bij prof. dr. R. Casimir: ‘Bij de leerkrachten van het Buitengewoon Lager Onderwijs is in hoge mate de wil aanwezig hun theoretische en praktische kennis uit te breiden, opdat zij het hun toevertrouwde onderwijs steeds beter zouden doen beantwoorden aan het doel. Het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs werkt aan de bevordering van dit streven krachtig mee.’ (Liefland, 1940, 225).


Hermen J. Jacobs trad in 1933 toe tot het bestuur van de net opgerichte Stichting voor Buitengewoon Onderwijs. Van 1935 tot 1966 was hij van genoemde stichting secretaris/penningmeester. Hij werd in 1940 docent bij de cursus die gegeven werd in de school van P.H. Schreuder in Den Haag. P.H. Schreuder voerde samen met Prof. Dr. R. Casimir de eerste directie van de opleidingen. Toen in 1957 P.H. Schreuder ernstig ziek werd en niet meer ieder cursusdag aanwezig kon zijn als studieleider, nam Hermen J. Jacobs zijn taak over. Zo kennen we in de geschiedenis van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs Hermen J. Jacobs in vele functies.

Meer Buitengewoon Onderwijs


Dat over de inhoud, opzet, en kosten van de eerste cursussen stevig gediscussieerd werd blijkt al uit het artikel dat in 1914 verschijnt in het tijdschrift van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen. De secretaris schrijft een nabetrachting waarin hij zegt: ‘Een van de leden - en blijkens de bijval die zijn woorden vonden, werd zijn mening door meerderen gedeeld – was van oordeel, dat de studie van de psychologie en de psycho-pathologie voor onderwijzers aan zwakzinnigenscholen niet nodig is, zelfs ongewenst, omdat zij bij ons leidt tot schijngeleerdheid (de zetter maakte er van schijnheiligheid) en daardoor gevaar kan ontstaan voor onze leerlingen. Evenmin kan ons de studie der methodiek van nut zijn, omdat het onderwijzen een kunst is. Men is onderwijzer of men is het niet.’ (G.J.V., 1914, 26).
In een gloedvol betoog beargumenteert de heer Vos vervolgens het belang van een vakstudie ‘het ernstig zoeken naar de beste wegen om zwakzinnige kinderen te onderwijzen en op te voeden. Bijna op elk gebeid ziet men het verschijnsel, dat men eigen ervaring aanvult, ook met wat de wetenschap als vaststaand leert kennen en dat men rekening houdt met wat deze als onjuist in ’t licht stelt. Ook wij moeten de ogen wijd geopend houden voor nieuwe inzichten, nieuwe vondsten, nieuwe ontdekkingen op ons gebied, willen wij niet in mindere of meerdere mate het slachtoffer worden van de sleur, tot schade van onze arbeid, tot nadeel onzer leerlingen.’ (idem, 31/32).


Tot 1912 kende de Vereniging van Onderwijzers en Artsen slechts één afdeling, namelijk die van ’s-Gravenhage. In 1912 ontstond de afdeling Amsterdam. Deze afdeling trok de organisatie van de eerste cursus met rijkssubsidie naar zich toe.
‘De afdeling Amsterdam zal nu dadelijk werk vinden in het organiseren van de kursus, wanneer haar wordt opgedragen daartoe een kommissie uit haar midden te vormen.’ (Snijder, 1913, 56).

Het bestuur had een plan in ‘grove trekken’ opgemaakt. Na benoeming van de docenten zou het volledige programma worden opgemaakt en aan de Minister ter goedkeuring worden toegezonden.
‘De componenten van dit plan waren:
A. Kennis van het zwakzinnige kind.
B. Onderzoeksmethoden.
C.   1. Waarden: doel der leervakken voor het Zwakz. Kind.
      2. Didaktiek
      3. Lichamelijke opvoeding
      4. Zedelike opvoeding.


‘t Aantal deelnemers, dat zich voorlopig heeft opgegeven, bedraagt 29 á 31.’
(F.F., 1913, 59)

Vakspecialisatie: de cursus




Voorstel van de Algemene Vergadering van de Vereeniging van
Onderwijzers en Artsen van de afdeling ’s-Gravenhage te komen tot een verbeterde opleiding van leerkrachten bij het onderwijs aan zwakzinnigen.
Het pré-advies van het Hoofd Bestuur is vóór.
(Blokpoel, 1926, 55)


Deze eerste vakantiecursussen vormden het kader waarbinnen de leden van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen hun ideeën met betrekking tot een gespecialiseerde opleiding verder ontwikkelden. In het Tijdschrift voor Buitengewoon onderwijs wordt in 1920 een uitgebreid artikel gepubliceerd van S. Hiemstra Beschouwingen en wenschen inzake onze opleiding. Een stem uit de praktijk.
Hij begon zijn beschouwing als volgt: ‘Niet ieder onzer zal even sterk het nadeel onzer onvoldoende vorming bij dit onderwijs gevoeld hebben. In de eerste jaren merkten wij dat ook niet zoo ernstig. Toen waren wij, dunkt ons, wat al te bot voor dit onderwijs. Het gemis openbaarde zich sterker, naarmate wij dieper er in doordrongen.


Men gevoelt dan sterke behoefte aan inzicht in het wezen der achterlijkheid. Een inzicht, dat enkel gegeven worden kan door werkelijk wetenschappelijk ontwikkelde personen. Wij vragen dan ook vorming in die zin.’ (Hiemstra, 1920, 65). Hiemstra concludeerde dat er voor de leerkrachten in het buitengewoon onderwijs een voortgezette cursus zou moeten zijn van een jaar met rond de 40 weken colleges van 2 á 3 uur per week; en hij besluit met ‘Natuurlijk moet die opleiding van het rijk uitgaan en moeten er waarborgen zijn, dat er gewerkt is. Wij meenen dat ons Buitengewoon Onderwijs een afzonderlijke inspecteur krijgt. Mij dunkt laat die voor de practische uitvoering zorgen.’ (Hiemstra, 1920, 86).

Er zou en moest echter een speciale en gespecialiseerde cursus komen om de leraren verder te scholen. Een vakantiecursus was te mager en een steviger programma was vereist. De voorbereiding van een dergelijke cursus werd in het werkprogramma van de Vereniging O en A opgenomen. Het moest een cursus zijn ‘Waar onderwijzers en zij die dat wenschen te worden, de noodige practische en theoretische bekwaamheid en leiding bij hun studie kunnen opdoen.’ (Schreuder, 1923, 42).
Tot die tijd konden de leraren van gewoon onderwijs naar buitengewoon onderwijs ‘zonder meer overgeplant worden’, want ‘Na hun aanstelling is het meestal: Al smedende wordt men smid.’ (idem, 183).

Verbetering vakspecialisatie BUO


In 1926 werd door de afdeling ’s-Gravenhage voor de Algemene Vergadering een voorstel ingediend om tot een verbeterde opleiding van leerkrachten bij het onderwijs aan zwakzinnigen te komen en: ‘Het H.B. zegt toe voor de volgende Algemene Vergadering te komen ‘met plannen inzake de opleiding van leerkrachten bij het onderwijs aan zwakzinnigen.’ (G.J.V., 1926, 79).
Dit traject mondde uit in een voorstel dat ter subsidiering aan de Minister werd voorgelegd. De subsidiëring duurde echter nog wel even.
In het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs van april 1929 worden de leden op de hoogte gesteld van de voortgang. ‘Het verzoek aan de minister om de in vooruitzicht gestelde subsidie voor Zaterdagse cursussen te mogen ontvangen, wordt dezer dagen verzonden. Gaat het plan door, dan zullen de lessen voor een deel n.l. 25 van de 40 lesweken per jaar in Amsterdam en voor het overige in Den Haag gegeven worden. De vakken zullen zijn: Paedagogiek, Kinderzielkunde, Kindergebreken, Opvoedings- en onderwijsleer met inbegrip van spreekonderwijs, Erfelijkheid- en Maatschappijleer. Verder zielkundig en Spraakkundig praktikum. De lesuren vallen waarschijnlijk van half twee tot half zes, wellicht enkele keeren een praktikum op Zaterdagmorgen.‘ (Hoofdbestuur, 1929, 112).

Dit leidde in 1929, nu ruim 80 jaar geleden mede tot de oprichting van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs. De opleidingen (toen 'vakstudie' genoemd) werden in deze stichting later ondergebracht onder de naam Seminarium voor Orthopedagogiek.


Minister Waszink kende voor 1929 een eenmalige subsidie van ƒ 10.000 toe. Op 11 mei werd de eerste cursus (in Den Haag) geopend door Prof. Kohnstamm. De opening vond plaats in de school van P.H. Schreuder. Bij de opening van de Studiecursus voor leerkrachten bij het B.L.O. werd het woord gevoerd door dr. Van Voorthuijsen, de inspecteur voor het buitengewoon onderwijs als vertegenwoordiger van de minister. Hij zei over het ingediende leerplan het volgende:
‘… dat de cursus in hoofdzaak een theoretische zal zijn. Als voornaamste vakken zullen bestudeerd worden de elementen van het psychisch gebeuren en daarmede in verband zullen worden beschouwd de afwijkingen die in het zielsleven van de verstandelijk minderwaardigen voorkomen. Het is duidelijk, dat men niet heeft te verwachten nauwkeurige voorschriften op welke wijze men zijn werk als onderwijzer van achterlijke kinderen heeft te verrichten. Met uitzondering van enkele handgrepen die bij het spreekonderwijs te pas komen, zullen meer dan algemene lijnen niet worden aangegeven. Men zal van den cursus derhalve niet huiswaarts keeren met een receptenboek onder den arm, waarin staat opgetekend, hoe het eene vak moet worden voorbereid en hoe het andere moet worden opgediend. De praktijk van het onderwijs moet men zich ten slotte zelf leeren. De wetenschappelijke bestudeering der problemen van de opvoedkunde der abnormale jeugd kan echter bijdragen tot verbetering van de praktijk en het onderwijs aan misdeelden frisch en levend te houden.’
(Van Voorthuijsen, 1929, 182).

BRONNEN:

Brandsma, J.G. (2001). Opleiden voor special onderwijs. TbO, 41, 41- 44.
Brandsma, J.G. (2003). Van zaterdagcursus tot masteropleiding,. In: R. de Groot en E.M.H. Hinzen-Hanssen (Red.) markante momenten. Utrecht: Agiel
Brandsma J.G. (2010). Verhalen uit de koffer van Knijff. TvO, 49; 74-80.
Brandsma J.G. en R. Keyman (2011). Dr. A. van Voorthuijsen, grondvester van het speciaal onderwijs in Nederland. Amersfoort: Agiel.
Brandsma, J.G. (2013). Hermen J. Jacobs, pionier en strijdmakker binnen het buitengewoon onderwijs. Amersfoort: Agiel.
Brandsma, J.G. (2013). Hermen J. Jacobs (1887-1976). TvO,52; 604-617.
F.F. (1913). Verslag van de Alg. erg. Op 3 mei 13 te Utrtecht. TdVvOeA, 5; 58-59.
G.J.V. (1914). Een nabetrachting. TdVOeA, 6; 26-32.
G.J.V. (1926). Verslag Algemeene Vergadering. TvBO, 7, 77-91.
Hiemstra, S. (1920). Beschouwingen en wenschen inzake onze opleiding. TvBO,1; 65-72; 81-86.
Hoofdbestuur (1929). Voortgezette vakstudie. TvBO, 10; 112-113.
Voorthuijsen, A. van (1929). Opening studiecursus voor het B.L.O. TvBO, 10; 178-183.
Snijder, S. (1913). 9e jaarverslag, uitgebracht op de Alg. Vergadering van 3 mei 1913. TdVvOeA, 4; 51-56.

De Stichting voor BUO - vervolg


Kohnstamm bleef het belang van een degelijke studie benadrukken. Zo zei hij bij het 25-jarig jubileum van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen
‘Ik acht de studie van het achterlijke kind een zaak van het grootste gewicht, mede voor de paedagogiek der normalen. Helaas is ons land ten gevolge van de officieele verwaarlozing der paedagogiek zelf op dit gebied achterlijk onder de volkeren. Ik weet geen betere wensch voor de jubileerende vereeniging, dan dat haar krachtig streven om ten deze verbetering te brengen eindelijk den zoo noodigen steun moge vinden van hen, die de beslissing daarover in handen hebben.’
(In: Schreuder e.a., 1929, 15).
De eerste cursus maakte direct duidelijk hoe noodzakelijk een degelijke en speciale opleiding was. In het Verslag van den toestand van het buitengewoon onderwijs over het jaar 1929 werd gerapporteerd over deze eerste cursus en ook een conclusie getrokken:
‘Ten slotte heeft deze eerste cursus duidelijk doen voelen, dat er behalve een cursus voor voortgezette vakstudie moet komen een speciale opleiding van de leerkrachten, voordat zij bij het buitengewoon onderwijs worden werkzaam gesteld.



Als het onderwijs aan zwakzinnigen zijn taak op den duur goed zal blijven vervullen, moeten er leerkrachten aanwezig zijn, die grondige beroepsopleiding hebben gehad en die verder in de gelegenheid worden gesteld door studie zich op de hoogte te houden van het vak, dat moeilijk is te vervullen en dat, juist omdat het geestelijk minderwaardige betreft, een zeer grote verantwoordelijkheid oplegt.’
(Marchant , 1930, 182).
De lessen ‘werden zeer trouw bijgewoond; volgens de presentielijsten werd vrijwel alleen bij ongesteldheid verzuimd.’ (Jaarverslag, 1930, 4).
Gedurende 1930 werd verder gesproken over de gewenste rechtspersoon waarbinnen de opleiding gerealiseerd moest worden. In de vergadering van september 1931 werd als naam van de voorgenomen stichting gekozen voor ‘Stichting voor Buitengewoon Onderwijs’.
De vestigingsplaats zou dan worden ‘s-Gravenhage. ‘Aan de heer P.H. Schreuder wordt opgedragen de verdere stappen bij een notaris te doen teneinde tot de oprichting der Stichting te komen. De kosten van de akte zullen betaald worden door de medewerkende verenigingen.’ (Schreuder, 1931, 3).
Een jaar later passeerde vervolgens de akte tot oprichting en is de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs een feit.

De Statuten van de Stichting BUO


Volgens de statuten stelde de Stichting zich ten doel ‘de studie te bevorderen van de opvoeding van en/of het onderwijs aan afwijkende kinderen, welk doel zij tracht te verwezenlijken o.m. door de volgende middelen, al dan niet met elkaar verbonden:
      1)   het bevorderen of het zelf ter hand nemen van het inrichten en/of beheeren van leergangen als voor het doel nuttig of noodig zal blijken te zijn.
      2)   het bevorderen of zelf ter hand nemen van het inrichten en of het beheeren van een of meer opleidingsscholen. De Stichting zoekt verband met andere lichamen, welke leerscholen in dienst der opleiding willen stellen.
      3)   het verleenen van zedelijken en/of stoffelijken steun aan diegenen, welke zich aan de studie, genoemd in artikel 2 wijden.
      4)   het samenwerken met andere lichamen en/of vereenigingen, indien dit het doel kan bevorderen.
      5)   Door al zoodanige verdere, rechtstreeksche of zijdelingsche middelen, welke samenhangen met het doel der Stichting of aan de bereiking daarvan bevorderlijk kunnen zijn.’ (Jaarverslag, 1932, 1).

Uit de (jaar-)verslagen van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs viel te lezen dat het een moeizame weg was om tot een gespecialiseerde opleiding te komen. Een opleiding die zowel theoretisch moest zijn alsmede stevig ingebed in de onderwijspraktijk. Zowel praktijkmensen (als P.H. Schreuder, J. van Praagh, P. Linthorst en Hermen J. Jacobs) alsmede hoogleraren (als Gunning, Casimir, Kohnstamm, Waterink en Carp) werden als bestuurder en docent gevraagd.

Bestuursfuncties Hermen J.Jacobs




Advertentie in TvBO, 18, 236


In de vergadering van 8 juli 1933 werd Hermen J. Jacobs, door de Vereeniging voor Orthopedagogen en Artsen voorgedragen als bestuurslid van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs. In de daarop volgende vergadering – 11 oktober 1933 – werd hij 'benoemd tot 2e secretaris en belast met het opmaken van de notulen der vergadering.’ (Jacobs, 1933, 1).


Hermen J. Jacobs nam dan de functie van P.H. Schreuder in het bestuur van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs over en werd benoemd tot 1e secretaris. In 1936 overlijdt de penningmeester J. de Graaf. Er moet nagedacht worden over een nieuwe vervulling van dat ambt ‘Tot zolang zal de Heer H.J. Jacobs, naast het Secretariaat, ook het penningmeesterschap waarnemen.’ (Jacobs, 1936, 2).

In 1940 ging Hermen J. Jacobs ook als docent aan de opleidingen les geven. Dit omdat de docenten Dr. Stokvis en J. van Praagh vanwege een maatregel van de Duitsers ‘als docent moesten heengaan.’ (Jacobs, 1941, 2). In datzelfde jaar had ook Prof. Kohnstamm laten weten ‘uit het bestuur te moeten treden op grond van een verordening betreffende de Joden.’ (Jacobs, 1942, 1).
In dit bezettingsjaar organiseerde Hermen J. Jacobs, ondanks alle moeilijkheden, voor zijn groep studenten een studieweek in het Koloniehuis te Ede. Die studieweek was geslaagd, maar het bestuur maakt zich zorgen. ‘Moge in de toekomst onder gunstiger omstandigheden het arbeidsveld zich verder uitbreiden.’ (Jaarverslag, 1940, 4).
Over vorm en inhoud van de opleiding werd tijdens de bestuursvergaderingen uitvoerig gesproken. Ook Hermen J. Jacobs droeg daar zijn steentje aan bij. Er was ook geen commissie denkbaar zonder at hij daarin plaats nam, doorgaans in de sleutelpositie van secretaris/rapporteur. Zo stelt hij in 1948 voor dat in de opleiding ook aandacht wordt geschonken aan de ‘sociale taak van de onderwijzer bij het B.L.O.’ (Jacobs, 1948,2).
Een, gezien zijn ervaring en achtergrond, begrijpelijk voorstel.

Na-oorlogse jaren van de Stichting BUO


Begin jaren vijftig hadden de opleidingen voor het speciaal onderwijs zich inmiddels ontwikkeld tot een tweejarige gespecialiseerde opleiding waar een wettelijk erkend diploma aan verbonden was. Het doel van deze opleidingen volgde logisch uit de voorgeschiedenis: het bevorderen van de opvoeding van en het onderwijs aan afwijkende kinderen. De basisopleiding kende de vakken orthopedagogiek, didactiek, kinderpsychologie en sociale problemen. Het tweede jaar (gesproken werd destijds van ‘voortgezette opleiding’) werd zo afgestemd ‘op de meer speciale behoefte aan voorlichting van hen die werkzaam zijn aan de te onderscheiden typen van buitengewoon onderwijs.’


De geschiedenis van de Opleidingen Speciaal Onderwijs overziend valt één ding direct op: de enorme betrokkenheid en de maatschappelijke verantwoordelijkheid die mensen in het speciaal onderwijs en daarmee in het opleidingsonderwijs voelen en tentoonspreiden, wanneer het gaat om onderwijs aan kinderen waarvan de ontwikkeling niet vanzelfsprekend verloopt. Het verbeteren van de situatie in het onderwijs voor die kinderen is en blijft mensen motiveren en zet ze aan tot pionieren en ondernemen. De opmerking die prof. dr. R. Casimir in 1948 maakte is onverkort van kracht: ‘Bij de leerkrachten van het Buitengewoon Lager Onderwijs is in hoge mate de wil aanwezig geweest hun theoretische en praktische kennis uit te breiden, opdat zij het hun toevertrouwde onderwijs steeds beter zouden doen beantwoorden aan het doel.’ (Liefland, 1948, 257).

BRONNEN:

Jaarverslag van het Comité voor den studiecursus voor het buitengewoon Lager Onderwijs (1931). Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Jaarverslag van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs over het jaar 1940. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Jacobs, Hermen J. (1933). Notulen der vergadering van het Bestuur der Stichting voor B.O., gehouden op 11 oktober 1933. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Jacobs, Hermen J. (1936). Notulen der vergadering van het Bestuur der Stichting voor B.O., gehouden op 30 september 1936. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Jacobs, Hermen J. (1942). Notulen der vergadering van het Bestuur der Stichting voor B.O., gehouden op 1 juli 1942. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Jacobs, Hermen J. (1948). Verslag van de vergadering van het Bestuur der Stichting voor Buitengewoon Onderwijs, gehouden op 22 oktober 1948. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Liefland, W.A. van (1940). De school van het afwijkende kind. ’s-Gravenhage: Haga.
Liefland, W.A. van (1948). Van voortgezette vakstudie tot opleiding. TvBOeO. 38; 141-151.
Marchant, H.P. (1934). Verslag van den staat van het onderwijs in het Koninkrijk der Nederlanden over 1932. ’s Gravenhage: Algemeene Landsdrukkerij.
Schreuder, P.H. (1930). Jaarverslag van de Stichting Buitengewoon onderwijs. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Schreuder, P.H. (1931). Verslag van de vergadering van de Commissie voor de Studiecursus voor het B.L.O. gehouden op 10 september 1931 te Utrecht. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.

BUO: de na-oorlogse jaren (vervolg)




Soms is Jacobs wat teleurgesteld in de studenten. Als in 1952 de cursisten een wettelijk erkend diploma gaan krijgen ontstaat het ‘gevaar’ dat men een cursus volgt vanwege het verkrijgen van een diploma. Het gaat niet om het behalen van het diploma. Het gaat om wezenlijker zaken: ‘Volgens de heer Jacobs is de instelling van verschillende deelnemers anders dan vroeger. Velen willen nu met de minst mogelijke inspanning zo spoedig mogelijk het papier behalen, waarvan wordt verwacht dat het later geld op zal brengen. Onze bedoeling is steeds geweest de zin voor studie en verantwoord werken in de school aan te moedigen. Daar moeten we naar blijven streven ...’ (Jacobs, 1954, 2).
Op 10 april 1959 besluit men de gehele opleiding te vatten onder de naam Seminarium voor Orthopedagogiek.
‘Hierin zit een nostalgisch verlangen naar de oude dagopleiding uit de dertiger en veertiger jaren, die Seminarium-opleiding werd genoemd.’ (Menkveld, 1989, 39).

In 1965 geeft Hermen J. Jacobs te kennen dat hij wil stoppen met zijn bestuursfunctie als secretaris. In de bestuursvergadering van 23 januari 1965 wordt zijn verzoek behandeld.

Hermen J. Jacobs neemt afscheid


Leerkamp brengt Jacobs met waarderende woorden dank voor de 30 jaar, dat hij het secretariaat heeft waargenomen en overhandigt hem een geschenkbon voor een volautomatisch fototoestel. Jacobs bedankt voor het geschenk en zegt nog meer dankbaar te zijn voor de tijd, dat hij zijn functie heeft mogen vervullen. Hij herinnert aan de beginjaren, hij wijst op de groei en eindigt met de beste wensen voor het verdere werk.’ (Jacobs, 1965, 2).
Overigens wordt in die zelfde vergadering gezegd ‘dat er prijs op wordt gesteld, dat Jacobs voorlopig het secretariaat van de examens blijft vervullen. Jacobs is daartoe bereid.’



Hermen. J. Jacobs in gesprek met collega Christ
over de examens voor de vakstudie.

Dertig jaar lang heeft hij als secretaris en als penningmeester z’n werk voor de Stichting voor Buitengewoon onderwijs verricht. Jaarverslagen en notulen kwamen van zijn hand en ‘Er is bijna geen commissie geweest of Jacobs maakte er deel van uit. Hermen J. Jacobs was een goed organisator, hield nauwkeurig alles bij en liep na of alles wat besloten was ook uitgevoerd werd. Als penningmeester was hij zuinig maar tegelijkertijd bereid om geld te investeren in zaken waar hij brood in zag. Bovenal was Jacobs de man met hart voor het buitengewoon onderwijs, een didacticus pur sang en iemand die niets liever wilde dan dat de onderwijskundige zorg voor het gehandicapte kind zich zou uitbreiden en verdiepen.’ (Menkveld, 1989, 40).

Bij het officiële afscheid van Hermen J. Jacobs zei de voorzitter (sprekend over de pioniers en tegen Jacobs als zodanig): ‘Zij begonnen niet met een theoretische opzet, maar verrichtten arbeid daar waar hun handen die arbeid vonden. En zij voelden behoefte aan contact, aan nadere precisering van hun beginselen en aan theoretische fundering (...)
Vele auteurs zijn niet meer. Maar hun artikelen blijven hun waarde behouden, ondanks nieuwer inzichten in de psychologie. Hun pioniersarbeid is de prachtige versregel van A. Roland Holst indachtig:

Ik zal de garven niet meer zien
Noch binden ooit de volle schoven,
Doch doe mij in de oogst geloven,
Waarvoor ik dien.’

(Van Dijk, 1950).

Hermen J.Jacobs altijd praktijkman


Hermen J. Jacobs was een praktische man: leermiddelen ontwerpen; studieboeken uitgeven; opleidingen organiseren; tijdschriften uitgeven (en de eindredactie voeren), bestuursfuncties aanvaarden en actief uitoefenen. En steeds was de leerling die extra bezorg nodig had het uitgangspunt. En om die extra zorg te geven was professionalisering van de onderwijzer noodzakelijk. Hermen J. Jacobs was praktisch en gedreven ‘met hoofd en handen’.

Bestuurlijke ontwikkelingen dienden de praktijk te ondersteunen. Zijn zoon, Hermen J. Jacobs jr., zegt hier later over: ‘Een beleid dat gestuurd wordt door kwantitatieve effectmetingen, door produktevaluatie, door het stimuleren van een leerlingvolgsysteem dat strikt gericht is op het kwantificeren van leerprestaties en niet of nauwelijks op de persoonlijke en emotionele ontwikkeling van de kinderen, dan wel op een beleid gericht op ‘back to the basic’ zou hij zeker hebben afgekeurd. Een onderwijsbeleid dat gestuurd wordt door kwalitatieve procesanalyses, door het zoeken naar oplossingen voor faalangst van kinderen, door het versterken van het zelfbeeld van kinderen, door het besef van het belang van een goed pedagogisch klimaat, door een aanpak van “hoofd, hart en handen”, zou hij aan de andere kant zeker hebben onderschreven.’(Jacobs jr., 1996, 3).
Hermen J. Jacobs bleef tot het laatste uur de ontwikkelingen van de opleidingen volgen. En als hij de jubileum bijeenkomt in de RAI te Amsterdam niet kan bijwonen, schrijft hij een brief. En hij krijgt daarop antwoord.

BRONNEN:

Dijk, G.H. van (1950). De 30-jarige. TvBO, 30; 2-6.
Jacobs, Hermen J. ( 1954). Notulen van de vergadering van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs, 20 december 1954. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Jacobs, Hermen J. ( 1965). Notulen van de bestuursvergadering, 25 december 1954. Utrecht: Seminarium voor Orthopedagogiek/historisch archief.
Jacobs, Hermen J. jr. (1996). Terugblik en bezinning. In: De Hermen J. Jacobsprijs. Utrecht: Hermen J. Jacobsfonds.
Menkveld, H. (1989). Zestig jaar opleiden voor ent speciaal onderwijs. Zeist: Seminarium voor Orthopedagogiek.

Toelichting


U ziet hier de originele notulen 'der vergadering van het Bestuur der Stichting voor B.O. gehouden op 11 October 1933,
Ramstraat 33 te Utrecht.'

BUO: Notulen 1933 (pag.1)


BUO: Notulen 1933 (pag.2)


BUO: Notulen 1933 (pag.3)


Toelichting


U ziet hier het originele 'Jaarverslag van de Stichting der B.O. over het jaar 1935.'

BUO: Jaarverslag 1935 (pag.1)


BUO: Jaarverslag 1935 (pag.2)


BUO: Jaarverslag 1935 (pag.3)


BUO: Jaarverslag 1935 (pag.4)


BUO: Jaarverslag 1935 (pag.5)


BUO: Jaarverslag 1935 (pag.6)


BUO: Jaarverslag 1935 (pag.7)