Bestuursfuncties (4): de geschiedenis van het BUO (1) ~ Hermen J. Jacobs ~

Stichting Buitengewoon Onderwijs


De opleidingen speciaal onderwijs hebben als masters opleidingen Special Educational Needs (S.E.N.) een degelijke positie gekregen in de landelijke educatieve infrastructuur. Een positie die de pioniers van het speciaal onderwijs al voor ogen stond. Deze pioniers, lid van de Vereniging voor Onderwijzers en Artsen namen de eerste initiatieven. De aandacht die men noodzakelijk achtte voor deskundigheidsbevordering van de onderwijsgevenden in het buitengewoon onderwijs konden de gewone lerarenopleidingen niet geven. Het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs bleek een doeltreffend instrument om kennis te delen, de leden te informeren over nieuwe inzichten en discussies aan te gaan. Met name speelde dit tijdschrift ook een rol in de opleidingen doordat er steeds meer vakinhoudelijke artikelen gepubliceerd werden. Deze artikelen betekenden een belangrijke inhoudelijke bijdrage aan de eerste cursussen. Zo lezen we bij prof. dr. R. Casimir: ‘Bij de leerkrachten van het Buitengewoon Lager Onderwijs is in hoge mate de wil aanwezig hun theoretische en praktische kennis uit te breiden, opdat zij het hun toevertrouwde onderwijs steeds beter zouden doen beantwoorden aan het doel. Het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs werkt aan de bevordering van dit streven krachtig mee.’ (Liefland, 1940, 225).



Hermen J. Jacobs trad in 1933 toe tot het bestuur van de net opgerichte Stichting voor Buitengewoon Onderwijs. Van 1935 tot 1966 was hij van genoemde stichting secretaris/penningmeester. Hij werd in 1940 docent bij de cursus die gegeven werd in de school van P.H. Schreuder in Den Haag. P.H. Schreuder voerde samen met prof. dr. R. Casimir de eerste directie van de opleidingen. Toen in 1957 P.H. Schreuder ernstig ziek werd en niet meer ieder cursusdag aanwezig kon zijn als studieleider, nam Hermen J. Jacobs zijn taak over. Zo kennen we in de geschiedenis van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs Hermen J. Jacobs in vele functies.

Meer Buitengewoon Onderwijs

Dat over de inhoud, opzet, en kosten van de eerste cursussen stevig gediscussieerd werd blijkt al uit het artikel dat in 1914 verschijnt in het tijdschrift van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen. De secretaris schrijft een nabetrachting waarin hij zegt: ‘Een van de leden - en blijkens de bijval die zijn woorden vonden, werd zijn mening door meerderen gedeeld – was van oordeel, dat de studie van de psychologie en de psycho-pathologie voor onderwijzers aan zwakzinnigenscholen niet nodig is, zelfs ongewenst, omdat zij bij ons leidt tot schijngeleerdheid (de zetter maakte er van schijnheiligheid) en daardoor gevaar kan ontstaan voor onze leerlingen. Evenmin kan ons de studie der methodiek van nut zijn, omdat het onderwijzen een kunst is. Men is onderwijzer of men is het niet.’ (G.J.V., 1914, 26).
In een gloedvol betoog beargumenteert de heer Vos vervolgens het belang van een vakstudie ‘het ernstig zoeken naar de beste wegen om zwakzinnige kinderen te onderwijzen en op te voeden. Bijna op elk gebeid ziet men het verschijnsel, dat men eigen ervaring aanvult, ook met wat de wetenschap als vaststaand leert kennen en dat men rekening houdt met wat deze als onjuist in ’t licht stelt. Ook wij moeten de ogen wijd geopend houden voor nieuwe inzichten, nieuwe vondsten, nieuwe ontdekkingen op ons gebied, willen wij niet in mindere of meerdere mate het slachtoffer worden van de sleur, tot schade van onze arbeid, tot nadeel onzer leerlingen.’ (idem, 31/32).

Tot 1912 kende de Vereniging van Onderwijzers en Artsen slechts één afdeling, namelijk die van ’s-Gravenhage. In 1912 ontstond de afdeling Amsterdam. Deze afdeling trok de organisatie van de eerste cursus met rijkssubsidie naar zich toe.
‘De afdeling Amsterdam zal nu dadelik werk vinden in het organiseren van de kursus, wanneer haar wordt opgedragen daartoe een kommissie uit haar midden te vormen.’ (Snijder, 1913, 56).

Het bestuur had een plan in ‘grove trekken’ opgemaakt. Na benoeming van de docenten zou het volledige programma worden opgemaakt en aan de Minister ter goedkeuring worden toegezonden.
‘De componenten van dit plan waren:
A. Kennis van het zwakzinnige kind.
B. Onderzoeksmethoden.
C.   1. Waarden: doel der leervakken voor het Zwakz. Kind.
      2. Didaktiek
      3. Lichamelijke opvoeding
      4. Zedelike opvoeding.

‘t Aantal deelnemers, dat zich voorlopig heeft opgegeven, bedraagt 29 á 31.’
( F.F., 1913, 59)

Vakspecialisatie: de cursus


Voorstel van de Algemene Vergadering van de Vereeniging van
Onderwijzers en Artsen van de afdeling ’s-Gravenhage te komen tot een verbeterde opleiding van leerkrachten bij het onderwijs aan zwakzinnigen.
Het pré-advies van het Hoofd Bestuur is vóór.
(Blokpoel, 1926, 55)


Deze eerste vakantiecursussen vormden het kader waarbinnen de leden van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen hun ideeën met betrekking tot een gespecialiseerde opleiding verder ontwikkelden. In het Tijdschrift voor Buitengewoon onderwijs wordt in 1920 een uitgebreid artikel gepubliceerd van S. Hiemstra Beschouwingen en wenschen inzake onze opleiding. Een stem uit de praktijk.
Hij begon zijn beschouwing als volgt: ‘Niet ieder onzer zal even sterk het nadeel onzer onvoldoende vorming bij dit onderwijs gevoeld hebben. In de eerste jaren merkten wij dat ook niet zoo ernstig. Toen waren wij, dunkt ons, wat al te bot voor dit onderwijs. Het gemis openbaarde zich sterker, naarmate wij dieper er in doordrongen.




Men gevoelt dan sterke behoefte aan inzicht in het wezen der achterlijkheid. Een inzicht, dat enkel gegeven worden kan door werkelijk wetenschappelijk ontwikkelde personen. Wij vragen dan ook vorming in die zin.’ (Hiemstra, 1920, 65). Hiemstra concludeerde dat er voor de leerkrachten in het buitengewoon onderwijs een voortgezette cursus zou moeten zijn van een jaar met rond de 40 weken colleges van 2 á 3 uur per week; en hij besluit met ‘Natuurlijk moet die opleiding van het rijk uitgaan en moeten er waarborgen zijn, dat er gewerkt is. Wij meenen dat ons Buitengewoon Onderwijs een afzonderlijke inspecteur krijgt. Mij dunkt laat die voor de practische uitvoering zorgen.’ (Hiemstra, 1920, 86).

Er zou en moest echter een speciale en gespecialiseerde cursus komen om de leraren verder te scholen. Een vakantiecursus was te mager en een steviger programma was vereist. De voorbereiding van een dergelijke cursus werd in het werkprogramma van de Vereniging O en A opgenomen. Het moest een cursus zijn ‘Waar onderwijzers en zij die dat wenschen te worden, de noodige practische en theoretische bekwaamheid en leiding bij hun studie kunnen opdoen.’ (Schreuder, 1923, 42).
Tot die tijd konden de leraren van gewoon onderwijs naar buitengewoon onderwijs ‘zonder meer overgeplant worden’, want ‘Na hun aanstelling is het meestal: Al smedende wordt men smid.’ (idem, 183).

Verbetering vakspecialisatie BUO

In 1926 werd door de afdeling ’s-Gravenhage voor de Algemene Vergadering een voorstel ingediend om tot een verbeterde opleiding van leerkrachten bij het onderwijs aan zwakzinnigen te komen en: ‘Het H.B. zegt toe voor de volgende Algemene Vergadering te komen ‘met plannen inzake de opleiding van leerkrachten bij het onderwijs aan zwakzinnigen.’ (G.J.V., 1926, 79).
Dit traject mondde uit in een voorstel dat ter subsidiering aan de Minister werd voorgelegd. De subsidiëring duurde echter nog wel even.
In het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs van april 1929 worden de leden op de hoogte gesteld van de voortgang. ‘Het verzoek aan de minister om de in vooruitzicht gestelde subsidie voor Zaterdagse cursussen te mogen ontvangen, wordt dezer dagen verzonden. Gaat het plan door, dan zullen de lessen voor een deel n.l. 25 van de 40 lesweken per jaar in Amsterdam en voor het overige in Den Haag gegeven worden. De vakken zullen zijn: Paedagogiek, Kinderzielkunde, Kindergebreken, Opvoedings- en onderwijsleer met inbegrip van spreekonderwijs, Erfelijkheid- en Maatschappijleer. Verder zielkundig en Spraakkundig praktikum. De lesuren vallen waarschijnlijk van half twee tot half zes, wellicht enkele keeren een praktikum op Zaterdagmorgen.‘ (Hoofdbestuur, 1929, 112).

Dit leidde in 1929, nu ruim 80 jaar geleden mede tot de oprichting van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs. De opleidingen (toen `vakstudie' genoemd) werden in deze stichting later ondergebracht onder de naam Seminarium voor Orthopedagogiek.


Minister Waszink kende voor 1929 een eenmalige subsidie van ƒ 10.000 toe. Op 11 mei werd de eerste cursus (in Den Haag) geopend door Prof. Kohnstamm. De opening vond plaats in de school van P.H. Schreuder. Bij de opening van de Studiecursus voor leerkrachten bij het B.L.O. werd het woord gevoerd door dr. Van Voorthuijsen, de inspecteur voor het buitengewoon onderwijs als vertegenwoordiger van de minister. Hij zei over het ingediende leerplan het volgende:
‘… dat de cursus in hoofdzaak een theoretische zal zijn. Als voornaamste vakken zullen bestudeerd worden de elementen van het psychisch gebeuren en daarmede in verband zullen worden beschouwd de afwijkingen die in het zielsleven van de verstandelijk minderwaardigen voorkomen. Het is duidelijk, dat men niet heeft te verwachten nauwkeurige voorschriften op welke wijze men zijn werk als onderwijzer van achterlijke kinderen heeft te verrichten. Met uitzondering van enkele handgrepen die bij het spreekonderwijs te pas komen, zullen meer dan algemene lijnen niet worden aangegeven. Men zal van den cursus derhalve niet huiswaarts keeren met een receptenboek onder den arm, waarin staat opgetekend, hoe het eene vak moet worden voorbereid en hoe het andere moet worden opgediend. De praktijk van het onderwijs moet men zich ten slotte zelf leeren. De wetenschappelijke bestudeering der problemen van de opvoedkunde der abnormale jeugd kan echter bijdragen tot verbetering van de praktijk en het onderwijs aan misdeelden frisch en levend te houden.’
(Van Voorthuijsen, 1929, 182).