Bestuurfuncties (4): de geschiedenis van het BUO (2) ~ Hermen J. Jacobs ~

De Stichting voor BUO - vervolg

Kohnstamm bleef het belang van een degelijke studie benadrukken. Zo zei hij bij het 25-jarig jubileum van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen
‘Ik acht de studie van het achterlijke kind een zaak van het grootste gewicht, mede voor de paedagogiek der normalen. Helaas is ons land ten gevolge van de officieele verwaarlozing der paedagogiek zelf op dit gebied achterlijk onder de volkeren. Ik weet geen betere wensch voor de jubileerende vereeniging, dan dat haar krachtig streven om ten deze verbetering te brengen eindelijk den zoo noodigen steun moge vinden van hen, die de beslissing daarover in handen hebben.’ (In: Schreuder e.a., 1929, 15).
De eerste cursus maakte direct duidelijk hoe noodzakelijk een degelijke en speciale opleiding was. In het Verslag van den toestand van het buitengewoon onderwijs over het jaar 1929 werd gerapporteerd over deze eerste cursus en ook een conclusie getrokken:
‘Ten slotte heeft deze eerste cursus duidelijk doen voelen, dat er behalve een cursus voor voortgezette vakstudie moet komen een speciale opleiding van de leerkrachten, voordat zij bij het buitengewoon onderwijs worden werkzaam gesteld.

Als het onderwijs aan zwakzinnigen zijn taak op den duur goed zal blijven vervullen, moeten er leerkrachten aanwezig zijn, die grondige beroepsopleiding hebben gehad en die verder in de gelegenheid worden gesteld door studie zich op de hoogte te houden van het vak, dat moeilijk is te vervullen en dat, juist omdat het geestelijk minderwaardige betreft, een zeer grote verantwoordelijkheid oplegt.’(Marchant , 1930, 182).
De lessen ‘werden zeer trouw bijgewoond; volgens de presentielijsten werd vrijwel alleen bij ongesteldheid verzuimd.’ (Jaarverslag, 1930, 4).
Gedurende 1930 werd verder gesproken over de gewenste rechtspersoon waarbinnen de opleiding gerealiseerd moest worden. In de vergadering van september 1931 werd als naam van de voorgenomen stichting gekozen voor ‘Stichting voor Buitengewoon Onderwijs’.
De vestigingsplaats zou dan worden ‘s-Gravenhage. ‘Aan de heer P.H. Schreuder wordt opgedragen de verdere stappen bij een notaris te doen teneinde tot de oprichting der Stichting te komen. De kosten van de akte zullen betaald worden door de medewerkende verenigingen.’ (Schreuder, 1931, 3).
Een jaar later passeerde vervolgens de akte tot oprichting en is de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs een feit.

De Statuten van de Stichting BUO

Volgens de statuten stelde de Stichting zich ten doel ‘de studie te bevorderen van de opvoeding van en/of het onderwijs aan afwijkende kinderen, welk doel zij tracht te verwezenlijken o.m. door de volgende middelen, al dan niet met elkaar verbonden:
      1)   het bevorderen of het zelf ter hand nemen van het inrichten en/of beheeren van leergangen als voor het doel nuttig of noodig zal blijken te zijn.
      2)   het bevorderen of zelf ter hand nemen van het inrichten en of het beheeren van een of meer opleidingsscholen. De Stichting zoekt verband met andere lichamen, welke leerscholen in dienst der opleiding willen stellen.
      3)   het verleenen van zedelijken en/of stoffelijken steun aan diegenen, welke zich aan de studie, genoemd in artikel 2 wijden.
      4)   het samenwerken met andere lichamen en/of vereenigingen, indien dit het doel kan bevorderen.
      5)   Door al zoodanige verdere, rechtstreeksche of zijdelingsche middelen, welke samenhangen met het doel der Stichting of aan de bereiking daarvan bevorderlijk kunnen zijn.’ (Jaarverslag, 1932, 1).

Uit de (jaar-)verslagen van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs viel te lezen dat het een moeizame weg was om tot een gespecialiseerde opleiding te komen. Een opleiding die zowel theoretisch moest zijn alsmede stevig ingebed in de onderwijspraktijk. Zowel praktijkmensen (als P.H. Schreuder, J. van Praagh, P. Linthorst en Hermen J. Jacobs) alsmede hoogleraren (als Gunning, Casimir, Kohnstamm, Waterink en Carp) werden als bestuurder en docent gevraagd.

Bestuursfuncties Hermen J.Jacobs

Advertentie in TvBO, 18, 236

In de vergadering van 8 juli 1933 werd Hermen J. Jacobs, door de Vereeniging voor Orthopedagogen en Artsen voorgedragen als bestuurslid van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs. In de daarop volgende vergadering – 11 oktober 1933 – werd hij 'benoemd tot 2e secretaris en belast met het opmaken van de notulen der vergadering.’ (Jacobs, 1933, 1).




Hermen J. Jacobs nam dan de functie van P.H. Schreuder in het bestuur van de Stichting voor Buitengewoon Onderwijs over en werd benoemd tot 1e secretaris. In 1936 overlijdt de penningmeester J. de Graaf. Er moet nagedacht worden over een nieuwe vervulling van dat ambt ‘Tot zolang zal de Heer H.J. Jacobs, naast het Secretariaat, ook het penningmeesterschap waarnemen.’ (Jacobs, 1936, 2).

In 1940 ging Hermen J. Jacobs ook als docent aan de opleidingen les geven. Dit omdat de docenten Dr. Stokvis en J. van Praagh vanwege een maatregel van de Duitsers ‘als docent moesten heengaan.’ (Jacobs, 1941, 2). In datzelfde jaar had ook Prof. Kohnstamm laten weten ‘uit het bestuur te moeten treden op grond van een verordening betreffende de Joden.’ (Jacobs, 1942, 1).
In dit bezettingsjaar organiseerde Hermen J. Jacobs, ondanks alle moeilijkheden, voor zijn groep studenten een studieweek in het Koloniehuis te Ede. Die studieweek was geslaagd, maar het bestuur maakt zich zorgen. ‘Moge in de toekomst onder gunstiger omstandigheden het arbeidsveld zich verder uitbreiden.’ (Jaarverslag, 1940, 4).
Over vorm en inhoud van de opleiding werd tijdens de bestuursvergaderingen uitvoerig gesproken. Ook Hermen J. Jacobs droeg daar zijn steentje aan bij. Er was ook geen commissie denkbaar zonder at hij daarin plaats nam, doorgaans in de sleutelpositie van secretaris/rapporteur. Zo stelt hij in 1948 voor dat in de opleiding ook aandacht wordt geschonken aan de ‘sociale taak van de onderwijzer bij het B.L.O.’ (Jacobs, 1948,2).
Een, gezien zijn ervaring en achtergrond, begrijpelijk voorstel.

Na-oorlogse jaren van de Stichting BUO

Begin jaren vijftig hadden de opleidingen voor het speciaal onderwijs zich inmiddels ontwikkeld tot een tweejarige gespecialiseerde opleiding waar een wettelijk erkend diploma aan verbonden was. Het doel van deze opleidingen volgde logisch uit de voorgeschiedenis: het bevorderen van de opvoeding van en het onderwijs aan afwijkende kinderen. De basisopleiding kende de vakken orthopedagogiek, didactiek, kinderpsychologie en sociale problemen. Het tweede jaar (gesproken werd destijds van ‘voortgezette opleiding’) werd zo afgestemd ‘op de meer speciale behoefte aan voorlichting van hen die werkzaam zijn aan de te onderscheiden typen van buitengewoon onderwijs.’


De geschiedenis van de Opleidingen Speciaal Onderwijs overziend valt één ding direct op: de enorme betrokkenheid en de maatschappelijke verantwoordelijkheid die mensen in het speciaal onderwijs en daarmee in het opleidingsonderwijs voelen en tentoonspreiden, wanneer het gaat om onderwijs aan kinderen waarvan de ontwikkeling niet vanzelfsprekend verloopt. Het verbeteren van de situatie in het onderwijs voor die kinderen is en blijft mensen motiveren en zet ze aan tot pionieren en ondernemen. De opmerking die prof. dr. R. Casimir in 1948 maakte is onverkort van kracht: ‘Bij de leerkrachten van het Buitengewoon Lager Onderwijs is in hoge mate de wil aanwezig geweest hun theoretische en praktische kennis uit te breiden, opdat zij het hun toevertrouwde onderwijs steeds beter zouden doen beantwoorden aan het doel.’ (Liefland, 1948, 257).