Vereeniging van Onderwijzers en Artsen




Eerste nummer april 1909
Tijdschrift der Vereeniging van Onderwijzers en Artsen


De pioniers van het Buitengewoon Lager Onderwijs, D. Köhler en A.J. Schreuder, wilden de krachten bundelen en daartoe een eigen vereniging oprichten. In 1903 werd de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen werkzaam aan Inrichtingen voor onderwijs aan achterlijke kinderen en zenuwzwakke kinderen opgericht. Vanuit deze Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen werden talrijke initiatieven genomen om het onderwijs voor achterlijke en zenuwzwakke kinderen te verbeteren. Hiertoe werden lokale afdelingen van de Vereenigingen voor Onderwijzers en Artsen werkzaam aan inrichtingen voor onderwijs aan achterlijke en zenuwzwakke kinderen opgericht. In Den Haag werd een dergelijke afdeling gerealiseerd door schoolhoofd P.H. Schreuder (tevens lid van het hoofdbestuur). Van Praagh, P. Linthorst en later Hermen J. Jacobs zouden eveneens (bestuurs-) lid worden van zowel het hoofdbestuur van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen als het bestuur van de afdeling ’s-Gravenhage. P.H. Schreuder, J. van Praagh, P. Linthorst en Hermen J. Jacobs vormden in ’s-Gravenhage zo een kern van betrokken onderwijzers. Met name deze afdeling ’s-Gravenhage van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen werd zeer actief. Vanuit deze afdeling werd bijvoorbeeld ook een voorstel op de jaarvergadering van O en A ingebracht om een eigen vereniging voor gezondheidskolonies op te richten. Ook kwam vanuit deze afdeling het voorstel voor een specifieke vakopleiding voor de leerkrachten in het buitengewoon onderwijs en werd er een uitgeverij opgericht. Deze uitgeverij Haga bracht ook van 1921 tot 1958 het Tijdschrift van de Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen uit.

De tijdschriften van de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen



In 1909 nam P.H. Schreuder het initiatief voor een vaktijdschrift. De eerste redactie bestond uit de onderwijzers P.H. Schreuder en Vos en de psychiater Wijsman. Dat vaktijdschrijft werd een 'strijdorgaan' dat vocht voor een wettelijke erkenning van de nieuwe onderwijs sector Buitengewoon Onderwijs.
In ‘Een woord vooraf’ schrijft de redactie:
‘Hierdoor hoopt de Vereeniging van onderwijzers en artsen den weg geopend te hebben voor een vruchtbare samenwerking van allen, die bij het “buitengewoon onderwijs” werkzaam zijn, terwijl de redactie niet alleen verwacht, dat de veelzijdige inhoud van dit tijdschrift het lezen er van aantrekkelijk zal maken, maar ook overtuigd is van het grote nut, dat er in gelegen is, als de werkers op de verschillende gebieden van het buitengewoon onderwijs kennis neme van elkaars arbeid.’ (Redactie, 1909.)
Hermen J. Jacobs werd in 1935 lid van het hoofdbestuur van de Vereniging van Onderwijzers en Artsen. Tot 1960 was hij secretaris. En als P. H. Schreuder, eindredacteur van het Tijdschrift, in 1937 ziek wordt, staat Hermen J. Jacobs klaar om zijn taak te verlichten:
‘In verband met ziekte van den heer P. Schreuder wordt dringend verzocht geen correspondentie meer aan zijn adres te richten, maar aan den secretaris-penningmeester Hermen J. Jacobs, Valkenboschkade 455, Den Haag.(TvBO, 1937, 162).
Ook wordt - in 1935 - Hermen J. Jacobs redacteur en later eindredacteur van het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs. Een tijdschrift dat inmiddels van belang was voor de gehele ontwikkeling van het buitengewoon onderwijs.



Tijdschrift B.O.

Zo zegt N.Y. Vlietstra, hoofdinspecteur buitengewoon onderwijs, bij het 50 jarig jubileum van O en A: ‘Wie de jaargangen doorleest van het tijdschrift, dat wel eens van naam verwisselde maar nooit van ideaal, komt onder de indruk van het hardnekkig zoeken naar de juiste achtergrond en het hechte fundament van alle arbeid die men meende te moeten doen.’ (In: Kaan-Hoffmeyer e.a., 1953, 10).

De voortgang


Hermen J. Jacobs is al snel na zijn aantreden de dragende kracht van het Tijdschrift. Dat werd ook ruiterlijk beaamd: ‘Ieder, die met Jacobs deel heeft uitgemaakt van de redactie, zal volmondig erkennen, dat in feite al het werk neerkwam op den secretaris. De andere redacteuren hebben het steeds als vanzelfsprekend aanvaard, dat Jacobs al de grote en kleine zorgen, die bij de uitgifte van een tijdschrift te pas komen, op zijn schouders nam.’ (Van Voorthuijsen, 1947, 34).
Wanneer het tijdschrift 30 jaar bestaat schrijft G.H. van Dijk een jubileumartikel. In dat artikel lezen we de volgende passage: ‘In 1935 doet Hermen J. Jacobs zijn intrede in de redactie, de man, die wars is van alle uiterlijk eerbetoon, maar die een zodanig stempel op het tijdschrift heeft gedrukt, dat het noodzakelijk is hem speciaal te memoreren. Vanaf 1935 zijn Jacobs en het tijdschrift één begrip geworden. Ontelbaar zijn de artikelen, welke met grote deskundigheid uit zijn welversneden pen zijn gevloeid. Jacobs schrijft echter niet alleen met grote kennis van zaken, tevens corrigeert hij de proeven en correspondeert en confereert hij met drukker en uitgever; Hermen J. Jacobs is de spil en de ziel van het tijdschrift. Voor alles, wat hij heeft gedaan, past ons, lezers, hem warme hulde te brengen en ik spreek namens allen de wens uit, dat hij nog tal van jaren zijn krachten zal kunnen en willen geven aan zijn tijdschrift.’ (Van Dijk, 1950, 5).





Brief van dr. D. Herderschêe aan Hermen J.Jacobs d.d. 5 juli 1947.





Hermen J. Jacobs blijft eindredacteur van het Tijdschrift voor
Buitengewoon Onderwijs en Orthopedagogiek tot 1960.

Het maatschappelijk belang van de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen



De Vereeniging van Onderwijzers en Artsen heeft, zeker in de eerste helft van de twintigste eeuw, een belangrijke rol gespeeld bij de vormgeving van het Buitengewoon onderwijs. Het tijdschrift van de vereniging was daartoe het belangrijke communicatiemiddel. Pioniers als Jacobs namen initiatieven die uiteindelijk vorm zouden geven aan het buitengewoon onderwijs. Bij het afscheid van dr. Van Voorthuijsen in 1932 als hoofdinspecteur van het buitengewoon onderwijs verwoordde de toenmalige minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, prof. dr. J.R. Slotemaker de Bruïne, het aldus:
‘Het mag bij deze gelegenheid wel uitgesproken worden, dat nergens het buitengewoon onderwijs is georganiseerd en uitgebouwd als ten onzent en er geen land wordt gevonden, waar het B.L.O., door zo veel niet wettelijk geregelde, maar toch direct dit onderwijs of de afwijkende kinderen zelf ten goede komende, verenigingen en stichtingen gesteund wordt.’ (Jacobs, 1937, 14).
Ook de wijze waarop de pioniers van het buitengewoon onderwijs vochten om een speciale vakopleiding van de grond te krijgen was imponerend. In de eerste decennia van de vorige eeuw trokken inspectie, wetenschap en schooldirecties samen op. Krachten werden gebundeld voor het ontwikkelen van een kennisinfrastructuur ten behoeve van het speciaal onderwijs.
De Vereeniging voor Onderwijzers en Artsen vormde de belangrijke katalysator van deze beweging. Deze pioniers bouwden met een grote persoonlijke inzet aan een hecht fundament voor het buitengewoon onderwijs. Zij gaven vorm aan het buitengewoon onderwijs, zorgden voor een theoretische onderbouwing, realiseerden een eigen uitgeverij en organiseerden studiedagen uitmondend in een vakopleiding voor het buitengewoon onderwijs.

BRONNEN:

Brandsma, J.G. (2013). Hermen J. Jacobs, strijdmakker en pionier in het buitengewoon onderwijs. Amersfoort: Agiel.
Brandsma, J.G. & Keyman, R. (2010). 100 jaar orthopedagogiek en speciaal onderwijs. TvO,49; 551-558.
Dijk, G.H. van (1950). De 30-jarige. Tijdschrift voor Buitengewoon onderwijs, 30; 2-6.
Jacobs, e.a. (1937). Het Zwakzinnige onderwijs in Nederland. In: Hermen J. Jacobs, F. Bartels, E. Geerts, M. Sluizer & S. Stemerding.
Het Buitengewoon onderwijs in Nederland. ‘s-Gravenhage: Haga, 26 -33.
Kaan-Hoffmeyer, J.M. (1953). Het afwijkende kind en zijn problemen in huis, school en maatschappij. ’s-Gravenhage: Haga.

De uitgeverij HAGA



In Den Haag ontstond voor Hermen J. Jacobs zijn betrokkenheid en gepassioneerdheid voor het afwijkende kind. Samen met P.H. Schreuder, zijn vriend Jaap van Praagh en Piet Linthorst schreef hij tal van taal- en rekenboekjes. De normale, voor klassikaal onderwijs geschreven schoolboekjes waren voor het buitengewoon onderwijs niet bruikbaar. Enkele jaren behielp men zich met per cyclostyle vervaardigde losse blaadjes. In 1917 echter zocht men een uitgever voor de Eenvoudige Sommenserie. De uitgevers van schoolboeken zagen evenwel geen brood in een dergelijke uitgave die slechts een zeer geringe oplage zou kunnen halen. (B.C. Haga, nr. 7).
Op 6 januari 1921 wordt bij notaris Ch. A. E. Pool te ’s-Gravenhage de akte van oprichting van de Naamloze Vennootschap Uitgevers Maatschappij ‘Haga’ gepasseerd. In artikel 2 wordt het doel van de Uitgeversmaatschappij Haga als volgt omschreven: ‘Het doel der vennootschap is de uitoefening van het uitgeversbedrijf met al wat daarmee in verband staat, in de meest uitgebreiden zin genomen; inzonderheid de verzorging van uitgaven ten behoeve van het buitengewoon onderwijs en voorts in het deelnemen in andere ondernemingen en zaken met gelijk of aanverwant doel.´



Voor de ontwikkeling van het buitengewoon onderwijs had de uitgeverij HAGA grote betekenis. Zo werd er Het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs uitgegeven. Van dit tijdschrift was Hermen J. Jacobs van 1935 tot 1960 (eind-)redacteur.
Voor dit laatste kreeg Hermen J. Jacobs, mede door zijn jarenlange eindredacteurschap, alle lof en de uitgeversmaatschappij werd daarbij geprezen ‘… inhoud en uitvoering – alle hulde aan de N.V. Uitgeversmaatschappij “Haga” – die tot op het huidige tijdstip de verwachtingen verre hebben overtroffen.´ (Dijk, 1950, 4).
Ook was Hermen J. Jacobs vier jaar redacteur van het door Haga uitgegeven jeugdblad "Voor de Jeugd". Dit blad kende vier volledige jaargangen en werd wekelijks uitgegeven van 1922 tot 1926. Het weekblad Voor de Jeugd was een weekblad dat grotendeels werd samengesteld door Hermen J. Jacobs en uitgegeven werd bij Uitgeverij Haga.
Vier jaar lang verscheen dit blad. In totaal (52 x 4) 208 afleveringen.
Het waren vooral Hermen Jacobs en Jaap van Praagh die zich tot het uiterste voor de groei van de uitgeverij inzetten.

Publicaties


Boekjes die van de hand van Hermen J. Jacobs bij Haga verschenen zijn o.a.:
  • Op moeders schoot: kinderrijmpjes (1923).

  • Kijk eens hoe leuk: raadsels, rijmpjes, rebussen, kunstjes, grapjes, teekeningen, verhaaltjes (1923).

  • Uurtjes van ontspanning: raadsels, rijmpjes, rebussen, kunstjes, grapjes, teekeningen, verhaaltjes (1925).

  • Altijd bezig (1925.)

  • Van alles wat voor de jeugd: raadsels, rijmpjes, rebussen, kunstjes, grapjes, teekeningen, verhaaltjes (1927).

Hiernaast publiceerde hij boeken op het terrein van de orthodidaktiek. Bekend werd de nevenstaande serie Kinderleven (Haga 1932). Deze serie bestond uit zeven boekjes voor het aanvankelijk leesonderwijs. ‘Het boekje kan bij iedere leesmethode gebruikt worden’, zo meldt het voorwoord.


    
    

Nog meer publicaties


Een andere serie Zelfdoen (Haga, 1933) werd gememoriseerd door de minister in zijn onderwijsverslag over 1933. Deze serie jarenlang in gebruik bij de scholen voor buitengewoon onderwijs werd in 1959 nog in een nieuwe uitgave voortgezet in het Haga-fonds van uitgever J.B. Wolters.

        

Naast het Weekblad Voor de Jeugd en Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs werden er ook andere bladen uitgegeven. Vanaf de eerste jaargang (1938) wordt het Tijdschrift voor het Chr. B.L.O. uitgegeven.
    

Ook het Sociaal-Medisch Maandschrift verschijnt vanaf 1921 (1e jaargang) bij Uitgeverij Haga. Dit maandblad is het tijdschrift van de Nederlandsche Vereeniging van Schoolartsen en van de Nederlandsche Vereeniging van Gemeentelijke Geneeskundige Verzorging.

Eveneens werden de jubileumboeken uitgegeven bij Haga:


  • Gedenkboek omtrent zorg voor en onderwijs aan zwakzinnigen (1928). Uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen.

  • Het afwijkende kind en zijn problemen in huis en school (1953). Uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen.

  • Het Buitengewoon onderwijs in Nederland (1937), een gedenkboek aangeboden aan Dr. A. van Voorthuijsen bij zijn aftreden als inspecteur van het Buitengewoon Lager Onderwijs. Hermen J. Jacobs was voorzitter van de redactiecommissie.

  • 50 jaren Centrale Vereniging voor Gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen 1910-1960 (1960). Het gedenkboek van de Centrale Vereniging voor Gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de vereniging.

Grote bekendheid in het Buitengewoon Onderwijs kreeg de serie Afwijkende kinderen. De redactie van deze serie werd gevormd door: Prof. Mr. J.M. van Bemmelen, Prof. Dr. E.A.D.E. Carp, Prof. Casimir, Dr. D. Herderschêe en P.H. Schreuder. Hermen J. Jacobs was lid van de redactie van deze serie.

De reeks Afwijkende Kinderen


In de reeks Afwijkende kinderen verschijnen de volgende boeken:
  • Achterlijke kinderen. D. Herderschêe (1934)
  • Godsdienstige opvoeding van het zwakzinnige kind. L.C.P. Visscher (1935)
  • Geestelijke onvolwaardigheid. C. Burt (1936)
  • Moeilijkheden bij de opvoeding van kinderen. H. Zulliger (1937)
  • De school voor het afwijkende kind. W.A. van Liefland (1940)
  • Grepen uit de Psychologie van het normale kind. D. Herderschêe (1941)
  • Conflicten van het kinderleven. E.A.D.E. Carp (1948)
  • Remmingen en Storingen in de ontwikkeling van de kinderspraak. A. Goeman (1950)
  • Aangeboren Zwakzinnigheid. R. Vedder (1952)
  • Orthopedagogische beschouwingen. D. Wiersma (1952)
  • Orthopedagogiek van het zwakzinnige kind. W.A. van Liefland (1952)
  • Gestoorde jeugd. D. Wiersma, J.D. Mulder en P. Stibbe (1954)


De boeken uit de reeks Afwijkende kinderen vonden zowel hun weg naar de scholen voor buitengewoon onderwijs als naar de opleidingsinstituten. Begin 1958 werd de uitgeverij gedeeltelijk overgenomen door Uitgeverij J.B. Wolters te Groningen en Haga heeft bij deze uitgeverij nog een aantal jaren onder de naam Haga-fonds voortbestaan.

BRONNEN:

B.C. HAGA 1 t/m 10. Bijzondere Collecties van de universiteit van Amsterdam, archief van de uitgeversmaatschappij Haga. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
Brandsma, J.G. (2013). Hermen J. Jacobs, pionier en strijdmakker binnen het buitengewoon onderwijs. Amersfoort: Agiel.
Dijk, G.H. (1950). De 30-jarige. Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs, 30; 2-6.

Centrale Vereeniging voor Gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen





Op de jaarvergadering 1910 (23 april te Amsterdam) ‘ … deelt de voorzitter mee, dat de Vereeniging voor vacantiekolonies voor achterlijke kinderen opgericht is en dat de Statuten met Reglement zijn vastgesteld en wachten op Koninklijke goedkeuring.’ (G.J.V, 1910, 42).


Vanaf 1884 gingen jaarlijks duizenden kinderen in de leeftijd van drie tot veertien jaar naar vakantiehuizen, later koloniehuizen genoemd.
Het gemiddelde verblijf was zes weken en de kinderen die ‘uitgezonden’ werden waren mager en hadden weinig weerstand, vaak als gevolg van armoede, ziekte of beide.


In 1903 had het hoofd van de school voor Buitengewoon Onderwijs te ‘s-Gravenhage (P.H. Schreuder) gepoogd leerlingen van het buitengewoon onderwijs in de bestaande vakantiekoloniehuizen onder te brengen.
Dat werd geen succes:
‘Met de kolonies van het Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vacantiekolonies (d.i. de vereeniging voor normale kinderen) mogen de leerlingen der buitengewone scholen niet meer mee.
In Den Haag en Rotterdam al sedert lang niet meer. In andere plaatsen heeft men het telkens beproefd, doch het resultaat van die proefnemingen was van dien aard, dat men eindelijk heeft besloten, geen zwakzinnige kinderen meer op te nemen – hoe graag men ze ook zou willen helpen.
Voor de andere kinderen vond men ’t beter, dat ze niet meer meegingen. Dezelfde reden, die bestaat voor de oprichting van afzonderlijke scholen voor achterlijken, geldt ook voor de verpleging van achterlijke kinderen in afzonderlijke gezondheidskolonies.’
(Linthorst, 1913, 112). Daarom richtten P.H. Schreuder en P. Linthorst in 1905 te ’s-Gravenhage een eigen vereniging op: Zorg voor het Achterlijke Kind. Vanuit deze vereniging verzorgden zij zomerkampen voor hun leerlingen.
Via de Haagse afdeling van de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen brachten zij op de algemene vergadering van de vereniging het voorstel in te komen tot een Centrale Vereeniging voor vakantiekolonies voor zwakzinnigen.
Dit voorstel werd op 16 oktober 1909 besproken op de jaarvergadering van de vereniging. En een commissie werd ingesteld om een koloniehuis op te richten. En deze commissie werkte voortvarend.

Heidehuisje 'Sunny Home'


Hermen J. Jacobs werd vanaf 1917 actief (bestuurs-) lid van de Vereniging Zorg voor het achterlijke kind in Den Haag en van de lokale afdeling van de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen. Vanuit deze Centrale Vereniging werden de hoofden van scholen voor B.O. aangeschreven om in hun gemeente een vereniging Zorg voor het Achterlijke Kind op te richten. De lokale verenigingen betaalden hun jaarlijkse contributie aan de centrale vereniging. Daarnaast betaalden zij een dagprijs voor de verpleging van de kinderen die zij uitzonden. Het waren crisisjaren: gebrek aan voeding, woningnood, onderwijzerstekort en schaarse (onderwijs-)middelen vergden het uiterste van de onderwijspioniers. De leerlingen die uitgezonden werden waren dikwijls ondervoed en de levensmiddelen werden schaars en duur en de huur van een vakantiehuis was hoog door het grote gebrek aan woonruimte. Het zelf bouwen van een koloniehuis leek een logische en noodzakelijke keuze. ‘Een huis huren heeft zooveel bezwaren. In de eerste plaats de groote huursom, de telkens terugkeerende transportkosten voor inventaris, enz. enz. Om aan al deze moeilijkheden, die elk jaar terugkeeren, te ontkomen, is maar één uitweg: het bouwen van een eigen koloniehuis voor onze zwakzinnige kinderen.’ (Linthorst, 1913, 112).
Een eigen koloniehuis zou de mogelijkheden voor uitzending aanmerkelijk vergroten. De fondswerving voor de nieuwbouw ging door en acties en giften van particulieren, verenigingen en scholen leidden er toe dat in 1916 het heidehuisje ‘Sunny-Home’ te Ede kon worden aangekocht. In het tijdschrift van de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen verschijnt vanaf 1910 een nieuwe vaste rubriek Onze Kolonie.

      

Sunny Home te Ede.            Hermen J. Jacobs weegt bij aankomst zijn leerlingen.


Via deze rubriek worden de abonnees en leden successievelijk op de hoogte gehouden van de fondswerving, de nieuwe lokale verenigingen Zorg voor het Achterlijke Kind, de aankoop van het heidehuis Sunny-Home, de bouw van Zonne-oord, het aantal verpleegden, de (beknopte) jaarverslagen en specifieke artikelen over Onze Kolonie. In het jaarverslag over 1916 van de Vereniging O en A staat: ‘Op voorstel van de Hr. Linthorst werd besloten de volgende maal te Ede te vergaderen. De centrale vereniging van vakantiekoloniehuizen voor zwakzinnigen zal het zeer op prijs stellen in September de vergadering in haar nieuwe koloniehuis te ontvangen.’(TvBO, 1919, 41).
Dat is dan het eerste heidehuis ‘Sunny-Home’. Jaarlijks kwamen er meer kinderen. Hermen J. Jacobs gaat in 1917 met een groep leerlingen uit Den Haag naar het koloniehuis Sunny-home. Samen met zijn vrouw verzorgt hij gedurende vier weken de ‘groep koloniekinderen’.

Rubriek Onze Kolonie




Overzicht toename verpleegdagen 1913 - 1924. (Sauer, 1925, 23).

In de rubriek Onze Kolonie wordt regelmatig bericht over de toename van het aantal verpleegdagen en het verblijf van de kinderen: ‘Op 30 April j.l. kwam de tweede groep Haagsche kinderen, alle leerlingen van de Buitengewone Scholen, bruin en gebrand en heerlijk opgeknapt terug.’ (TvBO, 1920, 64). Er moet ruimte bij komen. In de Algemeene Vergadering van de Kolonievereniging voor Zwakzinnigen wordt besloten dat de vergadering het bestuur machtigde ‘plannen te maken voor den bouw van een tweede huis, dat op het terrein in Ede zal worden gebouwd.’(TvBO, 1920, 79).
De financiële middelen waren echter zeer beperkt. ‘Doch het is niet neerdrukkend, een tekort van financiën is een algemeen voorkomend verschijnsel in de philantropie. Het wekt soms krachten die men niet aanwezig waande.’ (TvBO, 1921a, 104).
Acties, giften e.d. zouden voor het benodigde kapitaal moeten zorgen.

In februari 1924 is de aflevering van het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs geheel gewijd aan ‘Onze Kolonie’. Dr. A. van Voorthuijsen schrijft het openingsartikel. De vacantie-kolonie voor zwakzinnigen is, volgens Van Voorthuijsen, een medisch-pedagogisch instituut, en ‘Als medisch-paedagogisch instituut sluit zij zich aan bij de school.’ (Van Voorthuijsen, 1924, 18/19).
Dat wordt onderkend door de hoofden van de scholen. Een van hen, de heer A. Willeboer, hoofd van een Buitengewone School ‘Na jarenlange ervaring toch is mij gebleken, dat de kinderen na de uitzending meer ontvankelijk waren voor vruchtdragend onderwijs en beter bestand tegen inspannende en langdurige arbeid.’ (Willeboer, 1923, 142).

Op 19 april 1924 werd het Koloniehuis ‘Zonneoord’ geopend. Tijdens deze opening krijgt ook P.H. Schreuder, lid van het comité dat het koloniehuis realiseerde, het woord. ‘De heer Schreuder wijst er op, dat als kinderen groot worden, zij wel eens hun eigen vader en moeder vergeten. Dit schijnt hier ook het geval en daarom herinnert hij er aan, dat het de Vereeniging “Zorg voor het achterlijke kind” te ’s-Gravenhage was, die begonnen is met de afzonderlijke verpleging voor achterlijke kinderen in vacantiekolonies.’ (G.J.V., 1924, 90).
Het aantal verenigingen Zorg voor het Achterlijke Kind nam gestaag toe en zo ontwikkelde zich een landelijk netwerk van lokale verenigingen. ‘Thans worden uit alle plaatsen in Nederland, waar B.S. bestaan, zwakzinnige kinderen in onze kolonie verpleegd behalve uit Utrecht, Leiden en Schiedam. Wanneer komen deze?’ (TvBO, 1921a, 59).

De Koloniehuizen


Uit het verslag van de in 1928 gehouden ‘algemeene vergadering der Centrale Vereeniging voor Gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen’ komt naar voren dat uitbreiding noodzakelijk is: ‘De groote toeneming der verpleging veroorzaakte een belangrijk tekort aan verpleegruimte. Daartoe zal een derde huis moeten worden gebouwd, waarvoor wel het bouwplan reeds aanwezig is, doch het geld ontbreekt. Met belangstelling werd kennis genomen van de tijding, dat een Haagsch philantroop zich bereid verklaarde, de eerste f 10.000 van de benoodigde 53.000 ter leen te verstrekken. Verwacht wordt dat het bedrag spoedig bijeen zal zijn, omdat het niet behoeft te worden geschonken maar tegen een normaal rentetarief aan de vereeniging in leen kan worden verstrekt. De financieele toestand is zoodanig, dat de vereeniging ten vollen kan instaan voor de betaling van rente en aflossing, hetgeen de penningmeester nog nader bij zijn rekening en verantwoording toelichtte. (TvBO, 1929, 147).
En reeds in het jaar 1929 werd gemeld ‘De bouw wordt krachtig voortgezet; minstens twintig werklieden arbeiden dagelijks om het huis binnen de bepaalde tijd gereed te hebben (…) doch stellig zal het gedurende de laatste helft van 1930 voor de verpleging kunnen worden gebruikt.’ (TvBO, 1929, 313).




‘Op 21 Juni te 14.30 vond de opening plaats van het derde koloniehuis der Centrale Vereeniging.’
De voorzitter, Mr. Van Hasselt, opent en hoeft ‘niet het nut van uitzending van zwakke leerlingen naar buiten te bepleiten. Ieder der aanwezigen was daar van overtuigd, dat de resultaten met de uitzending bereikt, voor zichzelf spraken.’
De voorzitter vestigt er nog eens de aandacht op dat ‘Zwakzinnige leerlingen behoren uitgezonden te worden naar aparte gezondheidskolonies.’

(C.d.J., 1930, 150).

BRONNEN:

Brandsma, J.G. (2012). 70 jaar geleden. TvO,51; 279-286.
Brandsma, J.G. (2012). Onze Kolonie. TvO,51; 591-603.
Brandsma, J.G. (2013). Hermen J. Jacobs, pionier en strijdmakker binnen het buitengewoon onderwijs. Amersfoort: Agiel.
Brandsma, J.G. (2013). Hermen J. Jacobs (1887-1976). TvO,52; 604-617.
C.d.J. (1930). Opening van het nieuwe koloniehuis der centrale Vereeniging voor Gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen. TvBO,11; 150-152.
G.J.V. (1910). Verslag der Vergadering op 23 april te Amsterdam. TdVvOeA, 2; 40-43.
G.J.V. (1924). Opening van het Koloniehuis voor Zwakzinnigen. TvBO, 5; 88-90.
Linthorst, P. (1913). Over het werk van de Centrale Vereniging voor gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen en haar plannen. TdVvOeA, 5; 108-113.
G.J.V. (1910). Verslag der Vergadering op 23 april te Amsterdam. TdVvOeA, 2; 40-43.
G.J.V. (1924). Opening van het Koloniehuis voor Zwakzinnigen. TvBO, 5; 88-90.
H.J.J. (1946). Onze Kolonie. TvBO,21; 26, 14-15.
H.J.J. (1950). Onze Kolonie. TvBO,30, 30, 104.
H.J.J. (1952). Onze Kolonie. TvBO,32, 76.

Gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen (2)




Kinderpret in de kolonie (TdVvOeA, 1913,108).



Het jaar 1935 loopt ten einde. Ook wordt in dit jaar de doelgroep uitgebreid. Niet meer alleen kinderen van de scholen voor zwakzinnigen, maar ‘Verschillende groepen van misdeelden vinden thans een plaats in onze kolonie. Waren het oorspronkelijk zwakzinnigen, die er voor herstel van hun gezondheid kwamen, in de laatste jaren zijn er ook andere onvolwaardigen verpleegd. Zo vonden er horend-stommen, slechthorenden, lichamelijk gebrekkigen, kinderen met ernstige hartgebreken in afzonderlijke groep een thuis.
(...) Het is de vereniging “Vacantie-oord voor lichamelijk gebrekkigen”onder wier auspiciën deze uitzending plaats vindt.’
(TvBO, 1936, 66).


De drie huizen vormen een goede mogelijkheid om tot een indeling te komen. ‘Het grote gebouw wordt bewoond door de leerlingen der scholen voor zwakzinnigen; in het middelste, “Zonne-oord”, vormen de twintig doof-stommen, allen leerlingen van de Inrichting voor Doofstommen-Onderwijs te Rotterdam, een eigen, afzonderlijk gezin, terwijl de lichamelijk gebrekkigen hun intrek hebben genomen in het paviljoen Sunny-Home, waar vele bedden gelijkvloers zijn opgesteld, zodat de verpleging voor hen gemakkelijker wordt.’ (TvBO, 1936, 185).
In 1937 zijn alle plaatsen het hele jaar bezet. De Haagse zwakzinnigenverpleging staat nog steeds aan de top met 8939 verpleegdagen (TvBO, 1933, 41).

De laatste (grote) bouwactiviteit vond plaats in 1938 toen een lighal werd gebouwd, waarvan één zijde open was. Hier was plaats voor 24 bedden, die alleen in de zomer werden gebruikt. Hermen J. Jacobs belastte zich met het verkrijgen van de middelen. Hij verzocht de aangesloten verenigingen een lid aan te wijzen om de realisering van de lighallen te bevorderen: ‘We komen dan één keer bij elkaar te Ede om de plannen te beramen en uit te werken en zorgen dan, dat voor 1 Januari a.s. het benodigde geld bijeen is.‘ (TvBO, 1936, 212).
En als Hermen J. Jacobs geen opgave krijgt van een ‘propagandist’ uit een aangesloten vereniging liet hij dat aan de betreffende vereniging weten en stuurde er een briefje achteraan.

Zorg voor het Achterlijke Kind



      

De actie voor de lighallen van Groot-Zonneoord kwam in volle gang ‘en de resultaten zijn verheugend. Van het benodigde bedrag van f 5000,- ontbrak half Juni nog f 3250,- . Acties worden gehouden en er worden naar de B.O. scholen intekenlijsten verstuurd.’ (TvBO, 1936, 234).
Ook de intekenlijsten hadden succes: ‘Het bedrag, dat voor de lighallen binnenkomt, groeit gestadig naar wat voor dit doel nodig is. Daaraan hebben krachtig meegeholpen, de geldzendingen, die wij van verschillende scholen mochten ontvangen en waarvoor wij hierbij nog eens hartelijk dank zeggen.’ (TvB0, 1937, 233).
Hermen J. Jacobs was creatief in het vinden van wegen om de financiële positie te versterken.

Voortbestaan Onze Kolonie




J. Sühl: Het wegen bij aankomst in de kolonie.


In de oorlog stokte de systematische berichtgeving in het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs. Het tijdschrift werd beperkter in omvang en rubrieken verdwijnen. Papierschaarste is de voornaamste oorzaak (Brandsma, 2012).
Dat wordt ook, enkel jaren later, door Hermen J. Jacobs aan de leden van O. en A. gemeld: ‘Gebrek aan plaatsruimte was oorzaak, dat wij tot heden in ons Tijdschrift nog geen berichten omtrent de kolonie opnamen. Gelukkig kunnen we melden dat ook deze instelling tijdens de oorlogsjaren veel goed werk heeft verricht. Onze gebouwen te Ede waren tot September 1944 nog vrijwel bezet door gewone patiënten. Na de strijd om Arnhem, half september 1944, is het gelukt, zij ’t dan ook met vele moeilijkheden, de kinderen weer naar hun woonplaatsen te vervoeren. Alleen een 8-tal patientjes uit de Heye-stichting bleven achter, omdat hun tehuis was verwoest. De uitzending is toen stopgezet, maar onze koloniegebouwen werden een toevluchtsoord voor vluchtelingen, evacué’s en ook onderduikers.
(…) Met grote vreugde kon het bestuur na de bevrijding bovendien vaststellen, dat onze gebouwen weinig geleden hadden, zodat vrij spoedig het “bedrijf” kon worden hervat.
(...) De inventaris der kolonie is er echter uiterst slecht aan toe.’
(H.J.J., 1946, 15).


Op 9 februari werd het 40-jarig bestaan van de Centrale Vereeniging voor Gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen in Ede feestelijk herdacht. In het februarinummer van het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs schreef Hermen. J. Jacobs een boeiend overzichtsartikel over deze periode. (H.J.J., 1950).
Ook vond na afloop van de jaarvergadering op 10 april 1952 de huldiging plaats van de directrice van Groot Zonne-oord Zr. C. Q. Callenbach en van de adjunct-directrice Mej. M. Hulsman. Beiden hadden op deze datum 25 jaar de dagelijkse leiding van de kolonie: ‘Prof Poelje, de voorzitter van de vereniging, wees er op, dat opvoeden een moeilijk werk is en dat ouders al heel tevreden mogen zijn, indien kinderen ouder geworden getuigen, dat het niet zo slecht is geweest. Opvoeden van zwakzinnigen in school is stellig moeilijker, maar in een Kolonie, waar men er dag en nacht voor staat, waar men te doen heeft met steeds wisselende groepen uit het gehele land, is het een bijna bovenmenselijke taak.’ (H.J.J., 1952, 76).
Hermen J. Jacobs droeg tijdens deze jaarvergadering het secretariaat van de vereniging over aan de heer Prins. Hij is dan 66 jaar. Hij maakt er zelf melding van.
‘Op de laatst gehouden algemene vergadering van de Centrale Vereniging van gezondheidskolonies voor zwakzinnigen heeft ondergetekende het secretariaat overgedragen aan de heer T. Gerh. Prins, Wittenburgerweg 68 te Wassenaar, Tel. K 1751 – 9565. Alle correspondentie voor het bestuur bestemd gelieve men dus voortaan te richten aan dit adres.’ (Jacobs, 1953a, 134).
In 1961 nam de directie (de dames C.Q. Callenbach en J.W. Hulsman) afscheid: ze gaan met pensioen. De voorzitter Prof. Dr. G.A. van Poelje spreekt beide dames ‘erudiet en hartverwarmend’ toe. ‘Ook Hermen J. Jacobs, die met zijn vrouw aanwezig was, sprak de scheidenden heel hartelijk toe. Voor Jacobs en zijn vrouw betekende dit afscheid ook meer dan een gewone plechtigheid – een halve eeuw geleden immers stonden zij beiden aan de wieg van wat nu tot een grote kolonie is uitgegroeid – een stukje b.o.-geschiedenis is in dit echtpaar belichaamd.’ (Prins, 1961, 32).

Het einde van De Kolonies



In 1962 werd Hermen J. Jacobs erelid van de Centrale Vereeniging. Dit wordt met een fraaie oorkonde bevestigd.


Als Hermen J. Jacobs geen eindredacteur meer is van het Tijdschrift voor Orthopedagogiek worden de berichten schaarser en verdwijnt de aparte rubriek ‘Onze Kolonie’. Tot 1940 was ‘Onze Kolonie’ een vaste rubriek in iedere uitgave van het tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs. Vanaf 1940 tot 1960 komen we de rubriek nog regelmatig tegen. Vanaf 1960 komt er een mededeling over ‘Onze Kolonie’ in de rubriek ‘Berichten’ zoals in 1967 als het zwembad ‘een prachtig open luchtbad (...) verdeeld in drie verschillende diepten’ wordt geopend.’ (Prins, 1967, 319).

In de jaren vijftig verbeterden de levensomstandigheden waarin de kinderen opgroeiden. Het aantal ‘lichamelijk zwakke kinderen’ nam sterk af. In 1973 stopt de overheid met het verstrekken van subsidie. De toekomst lag niet meer in de ‘massaverpleging van lichamelijk bedreigde kinderen’ maar in de individuele zorg zoals gegeven door de Medisch Opvoedkundige Bureaus en het gespecialiseerde maatschappelijk werk. De oorspronkelijke doelstellingen: ‘verhoging van de weerstand tegen ziekte' (medisch doel) en tegen het ‘slechte’ milieu (pedagogisch doel) waren grotendeels achterhaald door andere vormen van begeleiding en advies. In 1984 werd de Centrale Vereeniging voor Gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen omgezet in de Stichting Zonneoord. Deze stichting ging nauw samenwerken met het orthopedagogische centrum Michiel uit Nijmegen en het Riagg. Speerpunten werden: naschoolse-opvang en begeleid-kamer-wonen.
De gebouwen van Zonneoord pasten niet bij de veranderde behoeften en werden eind 1986 gesloten. Het terrein met de gebouwen werd in 1987 verkocht.

BRONNEN:


Brandsma, J., (2012).Onze Kolonie - De Centrale Vereeniging voor gezondheidskolonies voor Zwakzinnigen (1912 - 1984). Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 51, 591 - 603.
Jacobs, Hermen J., (1953). Onze Kolonie. TBOeO, 33; 134.
Jacobs, e.a. (1937). Het Zwakzinnige onderwijs in Nederland. In: Hermen J. Jacobs, F. Bartels, E. Geerts, M. Sluizer & S. Stemerding.
Het Buitengewoon onderwijs in Nederland. ‘s-Gravenhage: Haga, 26 -33.
Prins, T.G. (1961). Afscheid in Zonne-Oord. TvBOeO, 41; 29, 31-32, 319
Sauer, C, (1925). Sinterklaas in onze kolonie. TvBO,6; 22-24.
Swankhuizen, M., K. Schweizer & A. Stoel (2003). Bleekneusjes, Vakantiekolonies in Nederland 1883-1970. Bussum: Toth.
TvBO, (1919). Jaarverslag over 1916 van de Vereniging O en A. TvBO, 1; 40 - 43.
TvBO, (1920). Onze Kolonie. TvBO, 1; 41, 64.
TvBO, (1921). Onze Kolonie. TvBO, 2; 104, 159.
TvBO, (1929). Onze Kolonie. TvBO, 10; 147-149,313.
TvBO, (1933). Onze Kolonie. TvBO, 14; 41.
TvBO, (1935). Onze Kolonie. TvBO, 16; 168-171.
TvBO, (1936). Onze Kolonie. TvBO, 17; 41, 212, 234.
Willeboer, A. (1923). Ter Opwekking. TvBO, 3; 141-143.